voor wijkbewoners
Installeren zonnepanelen

Bekabeling en installatie

Ligging en hellingshoek bepalen de opbrengst, schreven we op deze pagina. Bij de installatie van zonnepanelen op het dak, wordt speciale solarkabel gebruikt. Deze is UV-bestendig en ook ontworpen om tientallen jaren zonder problemen op het dak te liggen. Het is niet toegestaan om connectoren van verschillende fabrikanten te gebruiken (het gaat om M4 connectoren), de minste of geringste afwijking bij de aansluitpunten kan leiden tot ernstige vonken en zelfs ‘vlambogen’ (bij gelijkstroom kan de elektriciteit over wel 10 cm ‘overspringen’ en vormt dan een vlamboog). Het combineren van verschillende merken stekkers van hetzelfde type (cross-mating) en het onvakkundig verbinden van stekkers aan kabels zijn hierbij de meest risicovolle factoren. Het zelf op de kabel ‘knijpen’ van de connectoren vereist veel ervaring om dit goed te doen en vormt dus een risicofactor. Het is van groot belang dat de installateur deugdelijke materialen gebruikt. Een slecht sluitende connectorverbinding kan brand veroorzaken:

Een levensgevaarlijke situatie door een slechte connectorverbinding

De installatie van zonnepanelen moet met kennis van zaken plaatsvinden. Tussen 2018 en 2020 vonden er in Nederland 95 branden plaats door problemen met zonnepanelen-installaties. Deze problemen hadden voorkomen kunnen worden. Men pleit voor meer regelgeving voor residentiële installaties (in woonhuizen). Zowel op schuine als op platte daken moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van blikseminslag. De bekabeling mag niet in een lusvorm worden gelegd, want dit vormt dan een zogenaamde inductielus die onder invloed van het elektromagnetische veld van een blikseminslag zelf ook een extreem hoge spanning zal voortbrengen.

kabellus
M4 connector
Standaard M4 connector kabel

Schuin of plat dak

Zowel voor schuine (linker kolom) als platte daken (rechter kolom) is er speciaal bevestigingsmateriaal verkrijgbaar.

Schuin dak
Dakhaak
Rail

De haken onder de pannen moeten vastgeschroefd worden op de onderliggende lattenconstructie. Op de haken worden de rails bevestigd. Een veel gemaakte fout, vooral op schuine daken die een beetje ‘doorbuigen’ is dat men te weinig haken gebruikt.

Het is volgens het Bouwbesluit verplicht om binnen het dakvlak van het schuine dak te blijven. Een zonnepaneel mag dus niet oversteken.

De Dakreflector

Door de veelheid aan soorten daken en montagesystemen is het voor de meeste installateurs lastig om de meest geschikte bevestigingsmethode te kunnen kiezen. Op initiatief van TNO, Holland Solar en BDA advies is onder de titel De Dakreflector een publicatie samengesteld die de drie meest gangbare bevestigingsmethoden voor pannendaken met een houten onderconstructie behandelt. Geen berekeningsmethode, wel belangrijke aandachtspunten. Je kunt de publicatie hier downloaden.

Console
Console voor platdak, in de bak gaat de ballast
OostWest
Oost-West opstelling, klik hier voor uitleg
Zo moet het dus niet
Zo moet het dus niet! Bekabeling moet netjes vastgemaakt worden en connectoren mogen nooit in ’t water komen liggen
stormschade
Dit kan er gebeuren als er te weinig ballast in de consoles wordt gelegd.

Zowel op een schuin dak als op een plat dak moet de bekabeling strak bijeen (en niet in een lus) afgemonteerd worden zodat de kabels vastliggen. Op het platte dak moeten er kabelgeleiders gebruikt worden zodat connectoren altijd droog blijven en de kabels goed vast liggen. Om de kabel(s) door het dak te voeren moeten er speciale dakdoorvoeren worden gebruikt. Kabels naast/over een scherpe dakrand gebruiken is not done. Als kabels gaan bewegen door de wind, kunnen ze gaan schuren langs de diverse onderdelen en kan er een gat of scheur in ontstaan. Ook dit is levensgevaarlijk. De DC-kabels (gelijkstroom) zijn van zichzelf al dubbel geïsoleerd, strikt genomen is dan een mantelbuis of kabelgoot niet verplicht. Maar de kabels moeten ook beschermd worden tegen vocht en de weersomstandigheden. Bij een schuin dak kan condenswater ervoor zorgen dat de kabels toch vochtig worden. Dus het is raadzaam om ze toch extra te beschermen.

Brandveiligheid

Brandveiligheid staat de laatste jaren meer in de schijnwerpers, omdat er behoorlijk wat (brand)incidenten zijn geweest met PV-installaties. Door problemen met connectoren, maar ook door zogenaamde in-dak systemen waarbij de zonnepanelen niet op bijvoorbeeld brandwerende pannen zijn gemonteerd maar worden geïnstalleerd als dakbedekking zijn. Als een in-daksysteem niet perfect wordt geïnstalleerd kan er gemakkelijk brand ontstaan. Er worden geen zonnepanelen op een rieten dak geïnstalleerd. Ook wil men regelgeving (aanpassen van het Bouwbesluit) zodat men altijd een extra brandwerende laag moet aanbrengen tussen zonnepanelen en een brandbare onderconstructie (bijvoorbeeld een houten dak met een dunne laag dakbedekking daarop). De Bond van Verzekeraars heeft een technische Preventiebrochure uitgegeven hierover.

Aarding

De voorschriften voor het installeren van zonnepanelen zijn beschreven in NEN 1010, de nieuwe versie die 1 januari 2017 is ingegaan. Het aarden van PV-installaties is verplicht gesteld. Het montagesysteem wordt gezien als een metalen constructie, en moet dus geaard worden. De zonnepanelen zelf zijn dubbel geïsoleerd en hoeven niet geaard te worden.

Een apart aandachtspunt bij DC-bekabeling (gelijkstroom) is het berekenen van de kabelverliezen, ook dit is geregeld in de NEN 1010. In de praktijk zal de standaard dikte van 4 mm2 in de meeste gevallen voldoen, maar het is belangrijk dat de installateur dit wel berekent en inzichtelijk maakt. Kabels die te dun zijn geven ook verliezen, de meeste PV-ontwerpprogramma’s kunnen dit berekenen. In geval van te hoge verliezen moet er gekozen worden voor 6 mm2 dikke kabels. Een kabelverlies kleiner dan 2% is acceptabel.

Het is niet toegestaan om de kabels van de ene string los onder de zonnepanelen van een andere string te leggen. Deze moet vastgezet worden, als je een stuk moet overbruggen moet er een kabeltracé aangelegd worden en deze moet deugdelijk bevestigd worden. Dus niet met tyraps of met beugeltjes aan de panelen. Het beste is om een kabelgootje onder de zonnepanelen te klikken en de plus en min kabels in twee aparte gootjes te leggen. Als er onverhoopt een vlamboog ontstaat en de installateur heeft de plus/min kabels in dezelfde buis of goot gelegd, zal er een grote brand ontstaan.

Veilig werken

De monteurs die bij een installatiebedrijf de zonnepanelen op het dak monteren, worden ook wel oneerbiedig ‘dakhazen’ genoemd. Ze durven gerust op grote hoogte te werken. Het is volgens de Arbowet verplicht dat mensen in dergelijke arbeidsomstandigheden voldoende en adequate beveiligingsmiddelen kunnen gebruiken. Ofwel een goede steiger, ofwel een harnas aan kabels. Sommige monteurs vinden die kabels maar lastig tijdens het werken en koppelen ze los. De installateur is altijd verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn eigen mensen. Maar het aanbrengen van beschermingsmiddelen kost tijd en dus geld. Je kunt gaan voor de goedkoopste offerte, maar let er altijd op dat de installatie op een voldoende veilige manier gebeurt!

Vergunning nodig?

In de meeste gevallen heb je geen vergunning nodig, als de installatie maar voldoet aan de regelgeving (Bouwbesluit, NEN-normen, NPR voorschriften en de Netcode). Maar als je huis een monument is of in een gebied met beschermd stadsgezicht ligt, moet je wel een vergunning aanvragen. Er is in 2012 (!) door de Rijksoverheid een brochure uitgebracht over Zonnecollectoren en zonnepanelen. Daarin wordt met veel woorden uitgelegd dat je uiteindelijk toch bij de gemeente moet navragen of je een omgevingsvergunning moet aanvragen. Je kunt daarvoor terecht bij het Omgevingsloket. In Nijmegen hebben we te maken met de ODRN, de OmgevingsDienst Regio Nijmegen. Bij een monument of beschermd stadsgezicht komt het er meestal op neer dat de zonnepanelen of -collectoren niet zichtbaar mogen zijn vanaf de openbare weg. In de praktijk betekent dit meestal dat de installatie alleen op een plat dak kan en dan is het op te lossen met een kleinere hellingshoek (10 graden) of een Oost-West opstelling waardoor de hoogte beperkt blijft.